Historie

De mannen van het eerste uur!

Zaterdag 11 februari 1961. Carnavalszaterdag. Limburg barst weer uit zijn voegen, want het leven in Limburg bestaat dan wel niet allèèn maar uit carnaval, maar er zonder zou onze provincie er toch anders uitzien. En het zijn niet alleen de Tempeleers in Maastricht, de Uële in Roermond, de Jocussen in Venlo of de Marotten in Sittard die het carnavalsleven kleur geven, o neen, in elk zichzelf respecterend stadje, in elk dorp of gehucht viert het rood, geel en groen hoogtij, tenzij het leven er – zoals eerder vermeld – anders uitziet zoals … in “oos Gebrook”. Kent Hoensbroek dan geen carnaval? Och jawel, of neen, toch eigenlijk niet. Natuurlijk, in de wijken en cafés vinden we een aantal verenigingen, die hun best doen om er het beste van te maken, zodat het feest in ieder geval niet helemaal ongemerkt voorbij gaat, zoals de Kattesjtèrt, de Klotsköp, de Koelköp, de Sjlèkkekroepers, de    Schaepeveagers, de tamtamkloppers en de Raodshiere. En zelfs wordt er soms een optocht gehouden, die in ieder geval de eigen buurt aandoet en een enkele keer ook de naburige wijken. Getuige bijgaande foto uit 1928, waarop o.a. houthandelaar Maas uit de Hoofdstraat en slager Mertens uit de Rietrastaat te herkennen zijn, is dat trouwens allang usance in het Hoensbroekse. Maar een algemene carnavalsviering voor de hele gemeenschap, compleet met zittingen, stadsprins, een grote optocht en sleuteloverdracht, neen dat vinden we in Hoensbroek niet. Nog niet tenminste, want we gaan terug naar het jaar 1961. Door onderling gekrakeel bij diverse buurtverenigingen is er ook dit jaar weer geen algemene carnavalsviering, laat staan een grote optocht en is het in Hoensbroek, zoals zo vaak, weer een dooie boel, dit tot groot verdriet van een aantal rasechte carnavalisten. En dat willen ze weten ook, letterlijk en figuurlijk, luistert U maar.

Ook in hotel Amicitia is het op deze carnavalszaterdag 11 februari erg rustig. Buiten de vaste stamgasten is er nauwelijks meer volk te bekennen. Met weemoed denkt uitbater Sjir Steijns, die als zitbaas het door brouwerij Brand van de Rooms Katholieke Mijnwerkersbond gehuurde pand beheert, terug aan de grootse carnavalsvieringen van de Mirlitophilen in zijn geboorteplaats Valkenburg. Om nog maar te zwijgen van wat hij met Fastnach meemaakte in Keulen waar hij enkele jaren in het Domhotel werkte. En net als hij hierover enthousiaste verhalen vertelt aan zijn klandizie dringt vanaf de markt dof en staccato steeds luider wordend tromgeroffel door, hetgeen het gesprek binnen doet verstommen. Nieuwsgierig geworden haasten ze zich naar het raam, schuiven de gordijnen opzij en zien tot hun niet geringe verbazing een geheel in het zwart gehulde stoet voorbij trekken met in hun midden een grote zerk waarin blijkens het opschrift de Hoensbroekse carnavalsoptocht ten grave wordt gedragen. Nog niet van de verbazing bekomen stormt Lam van Dongen, van de gelijknamige textielzaak, naar binnen. Hij vraagt wat Sjir Steijns daar nu van denkt, zegt dat de groep daar buiten het grootste gelijk van de wereld heeft en vraagt of hij het ook niet de hoogste tijd vindt om eindelijk eens iets te ondernemen om ook Hoensbroek een volwaardig carnavalsfeest te bezorgen. Tot ver na middernacht wordt er gefilosofeerd over wat de beste manier van aanpak zou zijn en als ze uit elkaar gaan heeft Sjir de toezegging gedaan het over de boeg van de kasteleins te gaan proberen. Steijns is een man van zijn woord en direct na de carnaval stuurt hij alle Hoensbroekse kasteleins een uitnodiging voor een bijeenkomst, waarop in eerste instantie bekeken zal worden of een bundeling van de wijkactiviteiten zou kunnen leiden tot één grote Hoensbroekse carnavalsoptocht met ieder jaar een prins uit een andere wijk. Indien hiervoor de handen in elkaar worden geslagen kan nog altijd bekeken worden of een uitbreiding van de gezamenlijke activiteiten wenselijk, cq. noodzakelijk is. Met deze benadering en met deze doelstelling hoopt de initiatiefnemer te bereiken dat er volmondige medewerking zal gegeven worden en er van een voortvarende start gesproken zal kunnen worden, want hij begrijpt ook wel, dat de kasteleins bang zullen zijn voor hun eigen hachje en hij er dus zeer voor moet waken op zere tenen te gaan staan. Maar wat een teleurstelling: ondanks alle goede bedoelingen blijkt op de bijeenkomst nauwelijks eenderde van de kasteleins aan de oproep gehoor te hebben gegeven, waardoor dit eerste initiatief al vòòr de start de grond in is geboord.

Gelukkig is Sjir Steijns er niet de man naar om al na deze eerste mislukte poging het bijltje erbij neer te gooien. Na overleg met Lam van Dongen komen ze tot de conclusie, dat er via de Hoensbroekse Middenstand misschien meer succes is te behalen en bij de eerstvolgende vergadering van de Hoensbroekse Middenstandsvereniging in het Piuscentrum mag Steijns dan ook een vurig pleidooi houden om te komen tot een overkoepelend orgaan voor de Hoensbroekse carnaval. Maar waar niet op is gerekend: de voorzitter blijkt een allesbehalve carnavalsminded iemand te zijn en ook deze tweede poging is gedoemd te mislukken. Wanneer bij een voorzichtige benadering van een aantal verenigingen al snel blijkt dat er ook vanuit deze hoek niet al teveel medewerking te verwachten zal zijn besluit Steijns het over een geheel andere boeg te gooien. Een combinatie van verschillende disciplines lijkt de enige met nog kans op succes te bewandelen weg. Als eerste benadert hij Pierre Faas, een goede klant, die via zijn werkgever de bouwfirma Laudy in Sittard wat connecties in het Marottenrijk heeft en er wel voor voelt om ook in Hoensbroek een waardige carnavalsviering mee op poten te helpen zetten. Vanuit de middenstand – ook belangrijk vanwege de financiën – wordt Sjra Lendfers bereid gevonden om zijn fiat te geven en in het verenigingsleven is Math Sijstermans geen onbekende. Met Sjeng Weerts van de R.K. Mijnwerkersbond is dan het zestal compleet dat bereid is om de handen in elkaar te slaan en van start te gaan met wat moet leiden tot een uitbundige carnavalsviering voor de hele Hoensbroekse bevolking. Aanvankelijk wordt alleen maar gedacht aan een optocht, maar gezien de eerdere slechte ervaringen met gesprekspartners wordt al snel besloten om de vleugels wat verder uit te slaan en een meer brede opzet ligt voor de hand. Maar dit vergt tijd, meer tijd en werk zelfs dan waarop aanvankelijk was gerekend. Bovendien attendeert toenmalig wethouder en loco-burgemeester Jacques Tonnaer erop, dat bij de samenstelling van de groep de politiek is vergeten. Om deze omissie goed te maken wordt daarom Jos Moonen aan de groep toegevoegd, hetgeen weer niet in goede aarde valt bij Burgemeester Martin, maar daarover later meer. De eerste twee jaren worden besteed aan het opzetten van een plan de campagne en aan het werven van een groep ereleden waardoor de eerste gelden worden ingezameld, maar men realiseert zich al spoedig dat om deze groep te handhaven en uit te breiden aan de leden ook iets geboden zal moeten worden en hoe kan dat beter dan met een zitting. Maar daar zijn mensen voor nodig om de zaak te leiden, mensen die gelet op het aantrekken van artiesten liefst ook een beetje zijn ingevoerd in het Limburgse carnavalswereldje. Het Comité Carnavalsviering Hoensbroek, zoals de initiatiefnemers zich inmiddels zijn gaan noemen, is dan ook blij met het aantrekken van Piet Boonstra als rasechte carnavalist, die de grootste vinger in de pap krijgt bij de organisatie en presentatie van de zittingen die vanaf 1964 plaatsvinden in aanvankelijk Amicitia en waarvoor vanuit de harmonie St. Cecilia een hofkapel en vanuit Gemengd Zangkoor Paluda de groep Breuker Hofzèngesj zijn geformeerd, en van Jo Bus, die vanaf 1964 optreedt als President. Mede door het grote succes van de eerste zittingen wordt de groep sympathisanten steeds groter en neemt het enthousiasme in de Hoensbroekse gemeenschap fors toe. Tijd om ook aan het echt grote werk te gaan beginnen. Het aanvankelijke idee om steeds wisselende wijkprinsen als stadsprins te laten fungeren wordt verlaten en er worden voorbereidingen getroffen voor de verkiezing van een eerste Hoensbroekse stadsprins. Kerkelijke en wereldlijke overheden worden om medewerking gevraagd, hetgeen aanvankelijk tegengestelde reacties oplevert. Is Deken Meijs vanaf het eerste moment zeer enthousiast en zegt hij zijn volledige medewerking toe, Burgemeester Martin reageert veel afstandelijker en heeft nogal wat bedenkingen, welke ongetwijfeld gevoed worden door het feit dat op het politieke vlak de “groepering Moonen” zeker niet tot zijn beste vrienden gerekend mag worden, om het maar eufemistisch uit te drukken. Maar als het CCH in 1964 besluit over te gaan tot uitroeping van de eerste Hoensbroekse Stadsprins en een grootse optocht door de Hoensbroekse straten te laten trekken begrijpt ook Burgemeester Martin, dat hij moeilijk kan achterblijven. Hij zegt dan ook toe de sleutel te zullen overdragen aan de nieuw te benoemen Stadsprins, zij het dat hij weigert dit ten gemeentehuize te doen en de Stadsprins hiervoor uitnodigt in zijn woonhuis. Maar allereerst zal er dan toch iemand gevonden moeten worden die zich beschikbaar wil stellen als Stadsprins. Dus laat Pierre Faas op een goeie dag Harrie Boesten bij hem thuis komen en stelt aan de beduusde Harrie de vraag of hij ‘d’r ieësjte Sjtadsprins va Gebrook’ zou willen zijn, waarop Harrie antwoordt: ”Dat maag ich neet va de mam!” Echter na drie ‘dröpkes’ is het pleit beslecht en kan de vader van Harrie het financiële plaatje komen bespreken, want dat hoort er natuurlijk ook bij. Harrie gaat inmiddels naar de firma Lendi om daar een heus Prinsenpak te laten aanmeten met alle toeters en bellen vandien. Dhr. Lendi is zeer vereerd dat hij de eerste Stadsprins van Hoensbroek mag kleden en belooft prompt voor de elfde Stadsprins een rood Prinsenpak te maken. Of hij deze belofte ook is nagekomen is helaas in de archieven niet terug te vinden. Dan komt de dag dat de Stadsprins wordt uitgeroepen! Via Dhr. Cleiren heeft Pierre Faas een kapel geregeld, geformeerd uit leden van harmonie St. Cecilia en Sjir Steijns heeft via zijn betrekkingen in het Valkenburgse ook een kapel georganiseerd! Harrie Boesten zelf zit nog incognito achter in zaal als de zitting al in volle gang is en verdwijnt daar stilletjes met de mededeling: ”Ich mot ‘ns efkes nao ’t huuske…”
Het Prinsenpak wordt aangetrokken maar ja, om nu zo meteen in vol ornaat de zaal in te lopen…In allerijl trekt de vrouw van Sjir Steijns een bedlaken van een van de kinderbedjes en dat vers beplaste laken wordt over de nietsvermoedende Harrie gedrapeerd. Op deze manier kan hij in ieder geval onherkenbaar naar binnen.
Nadat symbolisch een lijk wordt weggedragen (het lijk waarmee men enkele jaren eerder door Hoensbroek trok) is het langverwachte moment daar en wordt Harrie Boesten eindelijk door de Raad van Elf uitgeroepen als eerste Stadsprins van Hoensbroek. Dat er in die Raad van elf maar acht man zitting hebben mag de pret niet drukken.

En als de eerste Stadsprins Harry Boesten in 1965 door Hoensbroek trekt kan met recht gezegd worden, dat het Comité Carnavalsviering Hoensbroek de carnavalsexpress op de rails heeft gezet en… die trein dendert nog altijd voort!!!